Sinds hun eerste verschijning in de jaren ’60 van de vorige eeuw zijn lavalampen overal ter wereld een bekend gezicht in de slaapzalen van universiteiten en slaapkamers van tieners. In vele landen zijn de nieuwigheden volledig verankerd in de populaire cultuur. Zelfs na al die jaren kopen mensen nog steeds lavalampen en de grote fabrikanten bieden nu honderden variaties op het basisontwerp aan! In dit artikel kijken we naar deze populaire apparaten om precies te weten te komen wat er binnenin gebeurt om zo’n betoverend display te produceren.

Binnenin de lamp

Lavalampen zijn eigenlijk vrij eenvoudige apparaten. Ze zijn gebaseerd op zeer elementaire wetenschappelijke principes en bestaan uit slechts enkele eenvoudige componenten. Ze moeten hebben:

  • Een samenstelling die de drijvende “bellen” vormt
  • Een verbinding waar de bellen in drijven
  • Een lamp die het display verlicht en de nodige warmte afgeeft om de bellen te verplaatsen.

Om de zwevende bellen te creĆ«ren, moeten de twee verbindingen in een lavalamp onmengbaar of onderling onoplosbaar zijn. Dit betekent dat vloeistof A niet oplost in -B — de twee vermengen zich niet, dus je ziet twee afzonderlijke vloeistoffen, waarvan de ene bovenop of in de andere drijft. Het klassieke voorbeeld van onmengbare verbindingen is olie en water. Als je een potje vult met gewone minerale olie en water, krijg je een waterlaagje met een laagje olie dat erboven drijft. Deze combinatie van water en olie in een potje heeft een vergelijkbare uitstraling als een commerciĆ«le lavalamp met een uitgeschakelde lamp; in een koude lamp zie je twee afzonderlijke lagen.

Verder

Het leuke aan lavalampen is natuurlijk dat ze afzonderlijke amorfe bellen produceren die uit zichzelf in de “bol” van de lamp op en neer gaan. Om dit effect te produceren, moet je de twee onoplosbare verbindingen zeer zorgvuldig kiezen. In onze olie- en waterkan komt het water op de bodem terecht omdat het een veel hogere dichtheid heeft dan olie. Simpel gezegd duwt een vloeistof met een hogere dichtheid een vloeistof met een lagere dichtheid naar boven. Om klodders te krijgen die gaan drijven, heb je twee stoffen nodig die sterk op elkaar lijken qua dichtheid, zodat de bellen gemakkelijk kunnen wisselen tussen opstijgen en wegzakken. Dan moet je de dichtheid van een van de stoffen kunnen veranderen, zodat het soms lichter is dan de andere stof (en dus naar boven drijft) en soms zwaarder is (zodat het naar beneden zinkt).